Zei de kleine hand tot de grote hand:
Hé grote hand, ik heb je nodig want bij jou ben ik geborgen.
Ik voel je hand wanneer ik wakker word en jij dan bij me bent,
wanneer ik honger heb en jij mij voedt,
wanneer jij helpt als ik een toren bouw,
wanneer ik met jouw hulp mijn eerste pasjes zet,
wanneer ik bij je kom als ik wat angstig ben.
Kom, blijf bij mij en hou me vast.

En zei de grote tot de kleine:

Hé kleine hand, ik heb je nodig want jij hebt mij gegrepen.
Dat voel ik als ik veel voor jou mag werken,
als ik speel en lach en dol met jou,
als ik met jou kleine ogen
wonderbare dingen nieuw ontdek,
als ik je warmte voel en van je hou
en als ik merk hoe ik met jou weer kan bidden en danken.
Kom, blijf bij mij en hou me vast.

 

Om twee uur vanmiddag wordt kleinzoon boven de doopvont gehouden. Weer een speciale en mooie gebeurtenis in ons leven. Het doopsel is ondertussen, voor de meeste mensen toch, niet meer dan een traditie hoewel ik ondervonden heb dat er in Nederland bijvoorbeeld nog altijd een heel christelijke gedachte achter schuilt. Als het op een kado aankomt zal er daar een kinderbijbel ofzo gegeven worden en dat zie je in België zelden of nooit meer.

Wat kleinzoon van ons krijgt weet je al hé. (Voor de grote centjes hebben we inderdaad een andere extra oplossing hoor Ninne.;-)) Ik kocht ook een leuk boekje “Raad eens hoeveel ik van je hou” van Sam McBratney. Achteraan schreef ik nog een persoonlijke nota. Onze dochter is meter en zal die taak met veel gevoel en zorg volbrengen. Van haar krijgt hij een zilveren armbandje met zijn naam. Deze dag wordt een nieuwe en niet te vergeten pagina in ons boek van herinneringen. Eentje om in een doosje te doen.

 

‘Grote Haas, kom eens hier met je oren. Ik moet je iets héél belangrijks vertellen. Raad eens hoeveel ik van je hou?’ ‘Oei, dat is moeilijk,’ zegt Grote Haas. ‘Dat kan ik niet raden. Hoeveel dan wel?’ ‘Zóveel!’ Hazeltje rekt zijn armen uit zo ver hij maar kan. Grote Haas strekt ook zijn armen: ‘En zóveel hou ik van jou!’ Dat is een heleboel, denkt Hazeltje. ‘Ik hou van jou… tot zó hoog boven mijn hoofd!’ ‘Ik hou van jou… tot zóóó hoog boven mijn hoofd!’ Jeetje, wat hoog, denkt Hazeltje. Had ik maar zulke lange armen. Maar dit kan Grote Haas vast niet nadoen. Eén, twee hup, op mijn handen. ‘Joehoe, kijk eens hoe hoog ik kom!’ ‘Ik hou van jou helemaal tot boven in mijn tenen!’ ‘En ik hou van jou helemaal tot boven in je tenen!’ Grote Haas zwaait Hazeltje boven zijn zijn hoofd. ‘Ha!’ lacht Hazeltje. ‘Ik hou van jou zo hoog als ik kan springen!’ Hop! Hop! en.. HOP! ‘En ik hou van jou zo hoog als ik kan springen. Let maar eens op!’ Grote Haas neemt zo’n grote sprong dat zijn oren de takken raken. Tjonge, denkt Hazeltje. Als ik toch eens zo ver kon springen. ‘Ik hou van jou… ik hou van jou… zo ver als het pad daar beneden! Helemaal tot aan de rivier!’ ‘Ik hou van jou tot óver de rivier. Nee, wacht eens, nog véél, véél verder. Helemaal tot achter de heuvels.’ ‘Ik hou van jou tot aan de maan,’ zegt Hazeltje en hij doet zijn ogen dicht. Dàt is ver,’ zegt Grote Haas. ‘Dat is heel, heel erg ver.’ Grote Haas legt Hazeltje voorzichtig in zijn bedje van varens. Hij geeft hem een nachtzoen. En terwijl Grote Haas dicht naast Hazeltje gaat liggen fluistert hij: ‘Ik hou van jou helemaal tot aan de maan en terug.’

 

(uit ‘Raad eens hoeveel ik van je hou’ van Sam McBratney)

Aanbevolen artikelen